%@LANGUAGE="JAVASCRIPT" CODEPAGE="1252"%>
![]() |
![]() |
![]() |
Een paar one-liners:
Algemene ontwikkeling is een beste investering voor de oude dag.
Aristoteles (Diog. Laërt. 5.21.6)
De wijze geeft zelf vorm aan zijn geluk.
Plautus (Trinummus 363)
Door te twijfelen komen wij tot onderzoek, door onderzoek komen wij tot begrip van de waarheid.
Petrus Abelardus (Sic et non, proloog)
Er bestaat slechts één goed: wijsheid, en slechts één kwaad: onwetendheid.
Sokrates (Diog. Laërt. 2.31.4-5)
Facts are stupid things.
Ronald Reagan
Hoeveel dingen zijn er wel waaraan ik geen behoefte heb!
Sokrates (Diog. Laërt. 2.25.3)
Iets lelijks afbreken kost even veel tijd als iets moois te laten ontstaan.
Epicurus (Gnomolicum Vaticanum Epicureum, fragm. 42)
Information is not knowledge.
Albert Einstein
Information is not knowledge,
knowledge is not wisdom,
wisdom is not truth,
truth is not beauty,
beauty is not love,
love is not music,
music is the BEST!
Frank Zappa (Packard Goose, Joe's Garage)
Nowdays to be intelligible is to be found out.
Oscar Wilde
Zelfs een kind van vijf jaar oud kan dit begrijpen. Breng me een kind van vijf jaar oud!
Groucho Marx
Wetenschap is geordende kennis, wijsheid geordend leven.
Immanuel Kant
Het ontstaan van de vroeg-Griekse filosofie wordt doorgaans in verband gebracht met het tijdperk van de grote kolonisatie (750-550 vóór Chr.). Vanuit de 'moedersteden' op het Griekse vasteland beproeven ondernemende geesten hun geluk overal in het Middellandse Zeegebied en tot in de uithoeken van de Zwarte Zee.
Aan de kusten daarvan stichten zij nieuwe woonplaatsen en richten er handelsposten in. De kennismaking met onbekende gebieden en culturen stimuleert hun denken over de leefomgeving van de mens. We kunnen twee grote stromingen in die vroege ontwikkeling onderscheiden. De filosofen van het Ionische gebied zoeken de bestaansgrond van mens en wereld in de krachten van de natuur. Zij worden daarom natuurfilosofen genoemd. De filosofische 'scholen', de Pythagoraeërs en de Eleaten in Zuid-Italië, en enkele andere denkers zoeken die bestaansgrond daarentegen
in goddelijke, niet-lichamelijke krachten.
De Ionische filosofie is hoofdzakelijk bekend van haar kosmogonie: de leer van het ontstaan (en van de werking) van de wereld om ons heen. De Ionische filosofen gaan ervan uit dat alle leven ontstaan is uit één enkele stof, de oergrond (ἄρχη). Als zij deze stof 'goddelijk' noemen, wordt daarmee niet méér bedoeld dan dat die stof levend en onvergankelijk is. Geest en materie zijn in hun zienswijze nog niet van elkaar gescheiden. Een dergelijke manier van denken noemt men hylozoïsme (van ὕλη 'materie' en ζόη 'leven').
De Ionische natuurfilosofen willen de werking van het heelal verklaren aan de hand van verschijnselen (φαινόμενα) die zich door samenkomst of uiteenvallen van elementen die elkaars tegengestelden zijn, voordoen. Warmte verkeert in voortdurend conflict met koude, vocht met droogte. Het mechanisme achter deze tegengestelde krachten wordt in evenwicht gehouden door 'orde' (Δίκη).
In de Ionische stad Milete hebben drie natuurfilosofen geleefd en hun gedachten hierover geformuleerd. Thales (ca.624-546 vóór Chr.) ziet als oergrond het vochtige (τὸ ὕγρον). Anaximander (ca.610-546 vóór Chr.) is de eerste Griekse filosoof die een prozageschrift samenstelt met de titel 'Over de natuur' (περὶ φυσέως); voor hem is het onbepaalde (τὸ ἄπειρον ) oorsprong van alles. Anaximenes (Anaximenès, ca.585-528 vóór Chr.) beschouwt, eveneens in een geschrift 'Over de natuur', lucht (ἄηρ) als de oergrond: verschijnselen treden op door een proces van 'verdunning' of 'verdichting'. Alle drie Milesiërs zijn voor hun tijd vooruitstrevende denkers: zij gaan uit van hun eigen denken en niet langer van een wereldbeeld dat door de Griekse mythologie is bepaald.
Van Pythagoras (ca.571-497 vóór Chr.) is nagenoeg niets bekend. We weten alleen dat hij vanuit het eiland Samos naar Kroton in Zuid-Italië is geëmigreerd. Leerlingen van hem hebben later hun eigen stellingen hem in de mond gelegd, daaraan de mededeling toevoegend αὐτὸς ἔφα , 'de meester heeft het zelf beweerd'. Het pythagoraeïsme is doortrokken van elementen uit de Orpheuscultus. Deze legt de nadruk op een strenge levenswijze van onthouding (ascese, ἄσκησις). De Pythagoraeërs waren de eersten die in de westerse wereld het vegetarisme predikten.
Met de Pythagoraeërs gaat het Griekse denken zich bezighouden met de scheiding van lichaam en ziel. De ziel zou iets goddelijks hebben, terwijl zij zelf gevangen wordt gehouden in het menselijk lichaam. Het levensdoel moet worden gevonden in de bevrijding van de ziel uit dat knellende omhulsel. Die bevrijding kan slechts plaatsvinden door purificatie, reiniging gedurende een lange cyclus van opeenvolgende levens: het menselijk bestaan is gebaseerd op het principe van de zielsverhuizing (μετεμψύχωσις).
Als oergrond zien de Pythagoraeërs het getal. Wat de menselijke ziel goddelijk maakt, is het verstand of de rede (λόγος). De rede kan alleen functioneren te midden van ordening. Alles wat orde heeft, heeft mathematische grondslag. Andersom betoogd: wat getalsmatig te benaderen is, heeft werkelijkheidswaarde. Uiteindelijk is vorm voor de Pythagoraeërs iets goeds ('mannelijk'), materie is daarentegen iets slechts ('vrouwelijk').
Evenals de Milesische natuurfilosofen gaat Herakleitos (uit Efesos, bloeitijd ca.500 vóór Chr.) uit van tegengestelde krachten die de basis zijn van de verschijnselen. Nieuw is echter het dynamisch principe van voortdurende verandering en 'conflict'. Terwijl de Pythagoraeërs naar het onveranderlijke zoeken, poneert Herakleitos de onophoudelijke beweging. Beroemd is zijn uitspraak πάντα ῥεῖ καὶ οὐδὲν μένει, 'alles is in beweging en niets is blijvend'.
Volgens Herakleitos wordt chaos vermeden, doordat berekening of rede (λόγος) alles bestuurt. Als de mens zich openstelt hiervoor, kan hij de beweging begrijpen. Beweging wordt door hem vergeleken met het vuur (πῦρ): dit verandert alles en laat alles terugkeren in de oorspronkelijke gedaante.
De belangrijkste vertegenwoordiger van de Eleatische school, genoemd naar de stad Elea in Zuid-Italië, is Parmenides (bloeitijd ca.490 vóór Chr.). Hij is de opvolger van Xenophanes (uit Kolophon) die de godenwereld en mythologie streng bekritiseert. Met Parmenides begint het logisch denken (=redeneren). Hij redeneert als volgt: het Zijnde (τὸ ὄν ) is werkelijk, omdat wat niet is nooit het zijnde kan worden; we kunnen niet denken over wat niet is, dus wat wij denken heeft werkelijkheidswaarde.
In de visie van Parmenides is verder het Zijnde één, onveranderlijk en ondeelbaar. Dit noemen we het monistische (μόνος, 'alleen' of 'één') principe. Alle verandering is schijn (δόξα); het Zijnde komt niet tot stand en is onvergankelijk. Omdat alleen het Zijnde werkelijk bestaat, is er geen leegte. Het Zijnde heeft volgens hem een vaste bolvorm.
De logika van het onveranderlijk Zijnde geeft geen verklaring voor het verschijnsel beweging. De zogeheten pluralisten hebben dit probleem willen oplossen door het bestaan aan te nemen van ontelbaar vele, maar onveranderlijke en ondeelbare elementen. Empedokles (uit Akragas, ca.484-424 vóór Chr.) gaat uit van de oerelementen vuur, lucht, water en aarde die in beweging worden gezet door de aan elkaar tegengestelde krachten 'liefde' (Aphrodite) en 'haat' (Ares). In een op- en neergaande cyclus komt één van beiden aan de macht en vindt er vermenging, respectievelijk scheiding van de elementen plaats.
Anaxagoras (uit Klazomenai, ca.500-428 vóór Chr., werkzaam in Athene) stelt dat ieder verschijnsel deelbaar (=reduceerbaar) is in elementen die identiek zijn aan het grote geheel: hoezeer wij ook een kiezelsteen opdelen, deze zal steeds uiteenvallen in porties die dezelfde eigenschappen vertonen als de oorspronkelijke kiezel. Het deel is als het geheel. Beweging wordt teweeggebracht door de geest (νοῦς) die een onafhankelijke kracht van buitenaf is. Deze is zuiver en onvermengd en heeft geen contact met de elementen.
Deze denkwijzen resulteren in de atomistische theorie van Demokritos (van Abdera, ca.460-371 vóór Chr.). In werkelijkheid bestaan alleen de atomen (ἄτομα) en de leegte: alles is herleidbaar tot ondeelbare deeltjes van verschillende grootte en vorm die voortdurend in beweging zijn. Als er beweging is, moet er leegte zijn. Beweging heeft geen oorzaak, bestaat gewoon. Perceptie (waarneming) vindt plaats juist door beweging.
De impasse in het wijsgerig denken ('hoe moeten we verandering en onze waarneming daarvan verklaren?') krijgt een reactie in de stroming van de sofisten (σοφίσται) in de tweede helft van de vijfde eeuw vóór Chr.. Zij laten elke poging objectieve kennis te vergaren schieten en werpen zich op het subjectieve denken. Deze ommekeer wordt bevorderd door een maatschappelijke behoefte: de mensen willen meer en meer persoonlijk succes beleven in de politieke praktijk. De sofisten, rondtrekkende leermeesters in de retorika, voorzien direct in die behoefte. Zij geven stoomcursussen in het voeren van een goed debat.
Een tweede factor is de algemene twijfel aan de resultaten van de filosofie als wetenschap. Is de ons omringende wereld van nature (φύσει) zoals wij haar ervaren, of functioneert zij volgens afspraak, conventie (θέσει of νόμῳ)? De sofisten kiezen voor de tweede zienswijze en houden hun publiek voor dat door welsprekendheid het recht van de sterkste kan gelden (τὸν ἥττω λόγον κρείττω ποιεῖν).
De belangrijkste vertegenwoordigers van het sofisme zijn Protagoras (uit Abdera, ca.483-414 vóór Chr.) en Gorgias (uit Leontini, bloeitijd 444 vóór Chr.). Van de eerste stamt de beroemde stelling (de zgn. 'homo-mensura-regel'): de mens is de maat van alle dingen, van het Zijnde wat is, van het niet-Zijnde wat niet is. Gorgias maakt bij zijn aankomst in Athene in 426 vóór Chr. - hij is lid van een gezantschap - grote indruk op zijn publiek in de Atheense volksvergadering. Zijn stijl van spreken (streng symmetrisch, ritmisch en vaak rijmend) laat diepe sporen achter in de Attische retorika. De theorie spreekt lange tijd na zijn dood nog van Gorgiaanse stijlfiguren.
Alles wat wij over Sokrates (469-399 vóór Chr.) weten is zijdelings overgeleverd door de geschiedschrijver Xenophon en zijn leerling-filosoof Plato (in de zgn. vroege, 'Sokratische' dialogen). Als filosoof propageert Sokrates geen wetenschappelijk systeem, maar een methode. Zelfstandigheid van de rede (autarkeia) moet tot vorming van ware kennis (epistèmè) leiden. Hiertoe acht hij het gesprek, in de vorm van een dialoog, het meest geschikt.

Ware kennis denkt Sokrates te bereiken door twee zaken: ironie (εἰρωνεία) en maieutiek (μαιευτικὴ τέχνη). Onder het eerste verstaat hij het blootleggen van de ontoereikende kennis van de gesprekspartner door het stellen van vragen; onder het tweede het door het stellen van vragen zich bewust maken van de kennis die de ander in zich heeft. Deze methode noemt hij zelf 'geestelijke verloskunst'.
Ware kennis wordt gevormd door de juiste begrippen (τὰ εἴδη). Deze verkrijgen we door inductie: een reeks eensluidende voorbeelden moet leiden tot een definitie. Een algemene stelling wordt dan weer door middel van toepassing getoetst aan bijzondere voorbeelden, d.w.z. deductie.
Een voorbeeld: iemand uit een warm land heeft nog nooit van zijn leven sneeuw gezien en slechts op school erover horen vertellen ('wit', 'vochtig', 'glad', 'heeft vaste vorm', 'dwarrelt neer', 'tamelijk koud', 'je maakt er 'sneeuwpoppen' van', 'smelt na geruime tijd', enz.). Door zich de diverse kenmerken van sneeuw in te prenten kan hij zich een voorstelling maken (induceren) van het begrip sneeuw. Het lot brengt hem naar Nederland, waar hij een witte Kerst meemaakt. Uit de diverse kenmerken, nu aan den lijve voelbaar, kan hij opmaken (deduceren) dat het hier niet anders kan gaan dan om 'sneeuw', een fenomeen dat hij nog nooit heeft meegemaakt.
Begripsvorming wordt door Sokrates met name gehanteerd op het gebied van de ethiek. Doel van alle menselijk handelen is het nastreven van geluk (eudaimonia). Wie over voldoende ware kennis beschikt, handelt haast vanzelf goed en is alleen daardoor al deugdzaam. Dit noemen wij het Sokratisch determinisme. De deugdzame mens is gelukkig, want het is ondenkbaar dat hij dàt zal nalaten waartoe zijn kennis hem aanspoort.
De meest representatieve leerlingen van Sokrates gingen na zijn dood ieder hun eigen richting op. Eukleides (uit Megara, ca. 435-365 vóór Chr.) stichtte in zijn geboorteplaats een eigen school en probeerde het denken van Sokrates met dat van Parmenides te verenigen. De aanhangers van deze 'Megarische school' werden vanwege hun gewoonte om verregaande discussies te voeren met vraag en antwoord, zoals Sokrates dat ook graag deed, ook wel de Dialektikoi (dialegesthai=een gesprek voeren) genoemd. Volgens hen staat kennis van het Goede (zie Sokrates) gelijk aan het Zijn (zie Parmenides).
Aristippos (uit Kyrene, geboren ca, 435 vóór Chr.) wist in zijn geboorteplaats volgelingen voor zijn gedachtengoed te winnen die sindsdien de Kyrenaïkoi genoemd worden. Hij was een volleerd redenaar en werd vaak voor een sofist aangezien, omdat hij voor zijn lessen geld vroeg. Er wordt beweerd dat hij voor intelligente leerlingen korting berekende, voor de dommeren vroeg hij een toeslag! Sommigen bekritiseren zijn egocentrisch en losbandig leven, anderen zien in hem de allereerste hedonist. Genot is genot en niets anders en daarom geen filosofische gedachte waard. En over het uitgeven van het door hem verdiende geld placht hij te zeggen, dat het beter was dat het verloren ging door Aristippos dan Aristippos door geld.
Antisthenes (uit Athene, geboren 446 vóór Chr.) is de stichter van de beroemde school van de Kynikoi ('de hondsen'). De naam is afgeleid van het Kynosarges ('levendige hond'), een gymnasion voor buitenlandse studenten net buiten de muren van Athene. Volgens een andere traditie zou Antisthenes de bijnaam hebben verdiend, omdat hij als een zwerfhond (κύων = hond) zonder vaste woonplaats en in opperste eenvoud rondtrok.
De Kynikoi vonden de belangrijkste waarden die van de geest en wezen resoluut alle traditionele waarden af. Hierin gingen zij heel ver. Alles wat de staat voorschreef was verderfelijk, waaronder het gebruik van geld (in het Grieks nomisma, letterlijk 'wettelijk voorschrift'). Lichamelijke en emotionele behoeften werden afgewezen. Een mens dient in zelfgenoegzaamheid (autarkeia) te leven. Antisthenes' meest geliefde uitspraak luidde dat het in het leven erom ging niets nodig te hebben.
De beroemdste Kynikos was Diogenes (uit Sinope, geboren in 404 vóór Chr.) , wiens leven rijk aan anecdoten is. Beticht van valsmunterij werd hij uit zijn geboortestad verbannen en kwam in Athene terecht, waar hij in een ton ging wonen. Op straat liep hij met een lantaarn 'op zoek naar mensen'. Hij had één mantel als kleding en als bed; zijn kom en drinknap wierp hij weg om op nog eenvoudigere wijze uit zijn hand te eten en te drinken. Ook in seks streefde hij naar eenvoud: hij wilde geen relatie met een partner, maar masturbeerde (desnoods zomaar op straat), want 'dat ging sneller'. Hij ondervroeg standbeelden, omdat hij zich wilde oefenen in 'vergeefs vragen'. Eens spuugde hij zijn gastheer, een bezitter van een fraai landhuis, tijdens de maaltijd midden in het gezicht: hij had in het hele huis geen plek gevonden die lelijk genoeg was om op te spugen.
In zijn testament had hij laten vastleggen dat zijn lichaam niet begraven mocht worden, maar in de greppel moest worden gegooid als voer aan de beesten. Zijn vrienden vochten na zijn dood echter om de eer hem te mogen begraven. Uiteindelijk werd op kosten van de staat een grafmonument voor hem geplaatst: een marmeren zuil met daarbovenop een ... hond.
Na de dood van Sokrates wordt zijn werk door zijn leerlingen in verschillende richtingen voortgezet. Zij passen in hun zogeheten Sokratische scholen de methoden van hun leermeester toe op de theorieën die zij zelf aanhangen. Anders dan hen probeert Plato, uitgaande van Sokrates' denkwijzen, tot een synthese van bestaande wijsgerige stromingen te komen.
Reeds op jonge leeftijd besluit Plato (427-347 vóór Chr.) zich geheel aan de filosofie te wijden. Vroeg in zijn ontwikkeling als filosoof maakt hij een uitgebreide reis door de toenmalig bekende wereld en komt in de Kyrenaïka, Zuid-Italië (waar hij in contact komt met de Pythagoraeërs) en Syrakuse. Hier is hij te gast bij Dio, zwager van tiran Dionysios I. Zijn pogingen om zijn staatkundige theorieën op de situatie in Syrakuse toe te passen (het is vooral Dio die hem ertoe aanmoedigt) komen hem op verbanning door Dionysios te staan. In 387 vóór Chr. wordt zijn schip op zee door piraten onderschept, maar een kennis die bij toeval op de slavenmarkt van Aigina rondliep, weet hem vrij te kopen.
In Athene teruggekeerd sticht Plato een school (d.w.z. een kring van belangstellenden) in het gymnasion van de Akadèmeia, een landgoed gewijd aan de hèros Akadèmos. Zijn verdere leven en werk in Athene worden nogmaals door twee Syrakusaanse avonturen onderbroken, respectievelijk in 367 en 361 vóór Chr.. Hij sterft in 347 vóór Chr. in Athene.
Op naam van Plato staan de Apologie, 37 dialogen, 13 brieven en de 'Definities' (horoi, ὅροι). De apologie en 27 dialogen zijn met zekerheid authentiek te noemen. Gangbare theorie wil dat zijn oeuvre een ontwikkeling in zijn denken laat zien:
een Sokratische periode, inclusief de Apologie, met nog geen enkele spoor van de Ideeënleer;
een overgangsperiode na 393 vóór Chr. (eerste reis) met kritiek op de sofistiek en een eerste aanzet tot de Ideeënleer;
bloeitijd, waarin de Ideeënleer algehele grondslag is van zijn wijsgerig denken (Symposion, Phaidoon, Staat II-X);
ouderdom, waarin de Ideeënleer staatkundige rechtvaardiging krijgt; dit in combinatie met elementen uit het Pythagoraeïsme (Wetten, Timaios, Kritias).
Alle kennisverwerving is in verband hiermee in graden in te delen. Verstandelijke kennis ontstaat niet door zintuiglijke kennis, maar is sluimerend in de mens aanwezig om door herinnering, anamnese (anamnèsis, ἀνάμνησις) aan de dag te treden. Als mens moeten wij ons hiervan bewust worden gemaakt. Plato's ethika (leer van de menselijke gedragingen) geeft aan de menselijke ziel een bemiddelende rol tussen waarneembare en kenbare wereld. De ziel (die deel heeft aan een goddelijk wezen, daimoon, δαίμων) is in het menselijk lichaam opgesloten en streeft ernaar zich te bevrijden en tot de eeuwige werkelijkheid terug te keren. Dit is de van de Pythagoraeërs overgenomen leer van de zielsverhuizing.
Plato aanvaardt hiermee een kwalitatief onderscheid tussen lichaam en ziel. De laatste is onsterfelijk! Plato gaat nog verder door een driedeling van de ziel aan te nemen in een hiërarchische ordening (van hoog tot laag): een deel dat streeft naar ware kennis (het denken, τὸ λογιστικόν), een deel dat streeft naar zelfhandhaving, macht en eer (ambitie, τὸ θυμοειδές) en een deel dat streeft naar lichamelijk welzijn en zinnelijk genot (het verlangen, τὸ ἐπιθυμητικόν). De ziel en metname het deel van het denken dient naar volmaakte kennis van de Ideeën te streven. De Ideeën worden daarmee de norm voor het menselijk bestaan. Het einddoel van dit alles is geluk (eudaimonia, εὐδαιμονία). De mens wordt in zijn strevingen gedreven door Eros, het ingeboren verlangen naar het Goede.
In zijn staatkundige theorieën is Plato een uitgesproken aristocraat die in een standenmaatschappij gelooft. In zijn ogen zijn mensen niet gelijk in aanleg en gaven. De ideale staat moet daarom een indeling hebben in drie standen, overeenkomstig die van de menselijke ziel. De bestuurders worden alleen door de kennis van de Ideeën geleid en dat kunnen in goede samenlevingen alleen de wijsgeren zijn! De twee hoogste standen moeten zich volledig ondergeschikt maken aan het staatsbelang: Platonisch totalitarisme. Zij kennen geen privébezit: Platonisch communisme.
Aristoteles is in Stageira (Thrakië) geboren als zoon van de arts Nikomachos (lijfarts van koning Amyntas, vader van Philippos II). Op 17-jarige leeftijd komt hij naar Athene om zich bij de Akademeia aan te melden. Hij wordt snel Plato's meest prominente leerling. Na de dood van zijn leermeester leidt hij een wijsgerige school in Assos (in Mysië) om kort daarna in 343 vóór Chr. aan het koninklijk hof van Makedonië de opvoeding van Alexander, zoon van koning Philippos II, op zich te nemen.
Na Alexanders troonsbestijging in 336 vóór Chr. sticht Aristoteles het Lykeion (τὸ Λυκεῖον), een gymnasion gewijd aan Apollo Lykeios (Ἀπόλλων Λυκεῖος). Vanwege zijn gewoonte al rondwandelend (περιπατεῖν, περιπατοῦντες) zijn colleges te verzorgen is het de 'peripatetische school' gaan heten. (De naam kan ook afgeleid zijn van de wandelgang, de peripatos (περίπατος), waar Aristoteles zijn colleges gaf). Anti-Makedonische sentimenten na de dood van Alexander de Grote in 323 vóór Chr. doen hem wijken naar Chalkis waar hij een jaar later sterft.
Het omvangrijke oeuvre van Aristoteles wordt ingedeeld overeenkomstig de ontwikkeling volgens welke hij zich gaandeweg van de denkbeelden van zijn leermeester Plato heeft losgemaakt:
verwerping van de scheiding in een zintuiglijke en bovenzinnelijke wereld;
eenheid van lichaam en ziel;
niet-religieuze wereldbeschouwing.
Aristoteles' logika stelt dat alle kennis een afbeelding is van een werkelijkheid. In ieder begrip wordt een object uitgedrukt. Van hem stamt de zogeheten categorieënleer: alle begrippen kunnen in (soms 8, dan weer 10) 'klassen' (κατηγορίαι) worden ondergebracht. Ware kennis verkrijgen wij pas door verbinding van begrippen. Een voorbeeld: de begrippen 'sneeuw', 'wit' en 'zwart' leveren een ware uitspraak in 'sneeuw is wit', een niet-ware uitspraak in 'sneeuw is zwart'.
Uitbreiding van kennis berust op redenering. Hierbij werkt Aristoteles met tertiaire logika, uitgaande van classificatiemodellen: katten, honden, ezels en Grieken, Perzen, Thrakiërs horen tot respectievelijk de ondersoort (species) 'dier' en 'mens', welke beide behoren tot de soort (genus) 'levend wezen'. Aristoteles' logika werkt verder met de principes van identiteit, tegenspraak en uitgesloten derde.
Aristoteles' zijnsleer wordt bepaald door twee 'krachten': aanleg (δύναμις) en voltooiing (ἐνέργεια). Hij gaat niet uit van een schijnwereld die zou bestaan tussen werkelijkheid (het voltooid zijnde, energeiai on) en niet-werkelijkheid (μὴ ὄν), maar van een wereld van het zijnde-in-aanleg (δυνάμει ὄν): iets wat niet is, maar kàn worden. Alle verandering (=beweging) is verwerkelijking van alle aanleg: dit noemt hij entelechιe (ἐντελεχεία). Beweging staat niet op zichzelf, maar heeft zijn begin elders.
De zintuiglijke (d.w.z. veranderende) wereld kan slechts werking hebben door twee factoren: stof (ὕλη) en vorm (μόρφη). Stof is de alles bepalende, onderliggende materie van alle zaken; vorm geeft de uiteindelijke zet aan de verwerkelijking door middel van voltooiing. Stof en vorm zijn geen bovenzinnelijke zaken (transcendent), maar zijn vooraf aanwezig in de bestaande wereld (immanent).
In Aristoteles' ethika zijn lichaam en ziel elkaars noodzakelijke aanvullingen. De ziel is niet onsterfelijk, maar gaat samen met het lichaam te gronde. Zij is de verwerkelijking van het leven: aan het lichaam (=stof) geeft zij vorm. De ziel kent, anders dan bij Plato, geen lokale indeling, maar maakt door haar denkvermogen (τὸ διανοητικόν) de mens bovengeordend aan de plantenwereld (die alleen produktief vermogen, τὸ θρεπτικόν, heeft) en de dierenwereld (die daarnaast waarnemend vermogen, τὸ αἰσθητικόν, en voortbeweging, κίνησις, kent). Het vermogen te begeren is nauw verbonden met het kenvermogen.
De menselijke wil is begeerte die door het verstand geleid wordt. Elk menselijk handelen is zinloos, als het niet doelgericht is. Het hoogste doel dat omwille van zichzelf wordt nagestreefd, is geluk (εὐδαιμονία). Dit bestaat volgens Aristoteles uit vervolmaking (τελείωσις) van de werkzaamheid van de ziel en is dus een werkdadig beginsel: geluk is niet wat je ervaart, maar wat je uitvoert! Het spreekt verder vanzelf dat geluk niet transcendent is (Plato's streven naar de hoogste Idee), maar immanent (eigen aan de wezenskenmerken van de ziel). Deze immanentie beperkt het levensdoel tot het aardse bestaan.
Staatkundig gesproken is de mens in de ogen van Aristoteles een sociaal wezen (πολιτικὸν ζωόν) dat zich thuis voelt in een politieke samenleving. Hij is niet, zoals bij Plato, onderworpen aan de staat. Neen, de staat dankt zijn bestaansrecht juist aan de omstandigheid dat hij de mens tot volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid kan dienen.
Na de dood van Aristoteles in 322 vóór Chr. breekt er in de filosofie een nieuw tijdperk aan. Alexander de Grote heeft na zijn dood een jaar eerder een groot rijk achtergelaten dat als wezenskenmerk de vermenging van de Griekse met de Aziatische cultuur draagt. Zijn politieke en culturele éénwording betekent in feite het einde van de oud-Griekse polisgedachte.
Voortaan wordt het leven niet langer bepaald door de grenzen van de stadstaat, maar door die van de toenmalig bekende wereld. Dit kosmopolitisme brengt met zich mee dat de mensen zich als individu verloren kunnen gaan voelen en zekerheid zoeken in religieuze of filosofische stromingen.
De eerste vertegenwoordigers van het nieuwe filosofische denken zijn Klein-Aziaten. Hun stroming wordt genoemd naar de bonte zuilengaanderij, Stoa Poikilè (Στόα Ποικίλος), in Athene, waar Zeno (Zenon van Kition op Cyprus, 335-263 vóór Chr.) zijn eerste lessen geeft. De namen van ongeveer 15 opvolgers van hem als hoofd van de Stoa zijn ons overgeleverd.
Deze oudste vertegenwoordigers van de stroming worden gerekend tot de Oude Stoa. De belangrijkste onder hen zijn Kleanthes (uit Assos, 331-232 vóór Chr., hoofd van de Stoa vanaf 263 vóór Chr.) en Chrysippos (uit Soloi, 280-207 vóór Chr., hoofd van de Stoa vanaf 232 vóór Chr.).

Politiek gewichtiger wordt de stroming onder leiding van Panaitios (uit Rhodos), die ca. 145 vóór Chr. naar Rome komt en deel uitmaakt van de kring der Scipiones. Onder zijn leiding concentreert de Stoa zich op ethische en politieke vraagstukken. De vertegenwoordigers van deze stroming worden gerekend tot de Midden Stoa.
In een laatste periode is Poseidonios (uit Apameia in Syrië, 135-50 vóór Chr.) hoofd van de Stoïsche school op Rhodos. Hij is bepalend voor het gezicht van de Stoïsche leer en streeft vooral naar een synthese met de natuurwetenschappen. De jongste vertegenwoordigers van de stroming rekenen we tot de Nieuwe Stoa.
In de Romeinse tijd, zeker onder de keizers, geniet de Stoa vooral in de hogere kringen grote populariteit. Na de regering van keizer Domitianus groeit de aandacht voor de Stoa zienderogen. Het Stoïcisme beantwoordt blijkbaar aan de vraag naar een filosofie die een leidraad kan zijn voor het leven van de mens als individu. Het Stoïcisme is dan een wijsgerige stroming geworden bij uitstek voor de bovenlaag van de bevolking.
Een bijzondere moeilijkheid vormt het lacuneuze bronnenmateriaal. Over het algemeen beschouwen wij als alles bepalende grondlegger van het Stoïsche systeem Zeno van Kition. Zijn opvolger Kleanthes voegt weinig aan het geheel toe. Chrysippos levert vooral op het gebied van de logika enige bijdragen. Sinds de Oude Stoa is echter weinig wezenlijks veranderd aan de kern van de leer.
Het denken van de Stoa ligt aanvankelijk in het verlengde van dat van de Kynikoi. Zeno zou, na een schipbreuk in Athene aangekomen, eerst bij de Krates gestudeerd hebben, alvorens zelf zijn lessen te hebben gegeven. Later zei hij: ik had een verschrikkelijke zeereis, maar een prachtige schipbreuk. Net als de Kynikoi prediken de Stoïci (Stooïkoi) beoefening van de deugd. Hun theorieën worden al snel volgens de bestaande driedeling physika/logika/ethika gepresenteerd.
In tegenstelling tot Aristoteles proberen de Stoïci het monistische principe te verdedigen: de ons omringende wereld is homogeen en stoffelijk. Alle werkelijkheid berust op materie, dat wil zeggen: op alles wat lichaam (σῶμα) heeft. De Stoïci stelden hiernaast vier onstoffelijkheden (ἀσώματα): ruimte, leegte, tijd en betekenissen der uitspraken (τὰ λεκτά). In de stof steekt echter een immanente rede (λόγος), waaraan een oerkracht ten grondslag ligt die van goddelijke aard is (θέος). Zo is het Stoïcisme tevens pantheïstisch. Deze eeuwige, goddelijke kracht wordt naturalistisch opgevat als een aan alles leven schenkend vuur (πῦρ), dat tot ons, mensen, komt als bezielende adem (πνεῦμα) en optreedt met onverbiddelijke noodzakelijkheid (εἱμαρμένη).
De menselijke ziel is stoffelijk, dus sterfelijk. Toch heeft zij enige vorm van goddelijkheid, omdat zij deel heeft aan de wereldziel. De zielen van de gestorvenen vergaan - al naar gelang de aard van hun bezitter - direct of pas na geruime tijd. Gedurende deze tijd verblijven zij in een oord der zaligen tot de eerstvolgende 'wereldbrand' die de eeuwige wedergeboorte (ἀποκατάστασις) opnieuw inzet.
Deze maakt onderscheid tussen retorika en dialektika. De eerste wil zeggen: redenaarskunst, de tweede: het denken door middel van taaluitingen. De dialektika wordt onderverdeeld in (a) grammatika die de betekenende zaken (σημαίνοντα), en (b) formele logika die de betekende zaken (σημαινόμενα) behandelt. In hun voorstelling van zaken stellen de Stoïci dat het denken in de onaangeroerde (kinder)ziel steeds meer sporen achterlaat. Dit is de idee van de tabula rasa, 'schone lei'. Gaandeweg bouwt de ziel een verzameling voorstellingen (φαντασίαι) op waardoor een mens ervaringen kan hebben. Begrip van het ware (καταλῆψις) kan men slechts verkrijgen door algemene begrippen (κοιναὶ ἐννοίαι), in het leven geroepen door het juiste begrip (ὀρθὸς λόγος). Dit begrip (=rede) is in de mens aanwezig als een miniem deel van de alles doortrekkende rede (λόγος σπερματικός).
In de ogen van de Stoïci leeft een mens ethisch verantwoord, als hij zich laat leiden door zijn drang tot zelfbehoud. Dit bereikt hij door in overeenstemming met zichzelf (ὁμολογουμένως of φῠσει) zijn eigen natuur te verwezenlijken (κατὰ φύσιν ζῆν ). Het is de eigen keuze (αὐθαίρεσις) van de mens vervolmaking van zijn ziel na te streven. Hiertoe is deugd (ἀρέτη, virtus) voldoende: elfgenoegzaamheid (αὐτάρκεια) kenmerkt de ware Stoïcus. Ware deugd is een eenheid van vier kardinale deugden: verstand (φρόνησις, prudentia), ingetogenheid (σωφροσύνη, temperantia), dapperheid (ἀνδρεία, fortitudo) en rechtvaardigheid (δικαιοσύνη, iustitia).
Om het goede (τὸ ἀγαθόν, summum bonum of honestum; bona 'goederen') te bereiken moet de wijze in een gemoedloze toestand (ἀπάθεια) vrij zijn van hartstochten: zaken als leven, eer, goede/slechte gezondheid, rijkdom enz. zijn bijkomstigheden (ἀδιάφορα, adventicula of indifferentia). Een slechte inborst is het enige kwaad! Hoewel het begrip anders doet vermoeden, is Stoïsche autarkeia wel degelijk sociaal gericht: iedere wijze dient naar één staatsvorm te streven (Stoïsch kosmopolitisme), waarin alle mensen elkaars gelijke zijn en slavernij niet mag bestaan.
Deze wijsgerige stroming is genoemd naar haar stichter Epikouros (zoon van een onderwijzer op Samos, 341-271 vóór Chr.). Na zijn studie bij de atomist Nausiphanes van Teos gaat hij werken in Kolophon (stad in Lydië) en sticht in Mitylene op het eiland Lesbos zijn eerste school (310-306 vóór Chr.). In 306 vóór Chr. in Athene gekomen richt hij er de school op, waar hij in zijn later beroemd geworden tuinen doceert. Deze school kan met recht de eerste 'commune' van de oudheid
heten: zonder onderscheid des persoons kunnen mannen, vrouwen èn slaven toetreden.
Van Epikouros' 300 werken tellend oeuvre is nagenoeg niets bewaard gebleven. Wij zijn aangewezen op de informatie die Diogenes Laërtios ons geeft in zijn tiende boek van zijn 'Levens van de filosofen'. Hierin heeft deze diens brieven aan Herodotos, Pythokles en Metrodoros en tevens een serie hoofdleerstellingen (κυρίαι δόξαι) opgetekend. In 1888 zijn verder in een Vaticaans handschrift 80 aforismen gevonden. Het puin in Herculaneum heeft in 1818 nog enkele verkoolde resten uit zijn 37 boeken tellende 'Over de natuur' (pe?? f?se??) prijsgegeven.
Het Epikurisme heeft vele volgelingen gekend. De belangrijkste zijn wellicht Philodemos (ca.50 vóór Chr. in Rome), van wie papyrusfragmenten uit Herculaneum zijn gered, en Lucretius (97-55 vóór Chr.), de Romeinse dichter wiens dichtwerk De rerum natura ons belangrijke informatie verschaft over de leer van Epikouros. Zijn leerstellingen zijn in de kern door de jaren heen onveranderd gebleven. Tegen het einde van de eerste eeuw na Chr. verliest het Epikurisme zijn grootste betekenis.
Ook het Epikurisme gaat uit van de drie filosofische disciplines fysika, logika en ethika. Alleen heet logika hier kanonika, omdat het Epikurisme een kennisleer predikt, gebaseerd op vaste vormen en regels (κανώνες). Er bestaat slechts één maatstaf voor kennis: zintuiglijke waarneming. Deze is volgens Epikouros feilloos. Vergissingen ontstaan door onjuiste beoordeling van het waargenomene. Alle denken komt voort uit zintuiglijke waarneming. De voorstellingen die op grond hiervan in onze geest worden gemaakt, leiden tot meningen (δόξαι) en veronderstellingen (ὑπολήψεις) die
bedrieglijk van aard zijn. Dit geldt bij uitstek voor zaken die de toekomst of het onzichtbare betreffen.
In zijn natuurleer ziet Epikouros zich gesteld voor het perceptieprobleem en grijpt terug op de oudere atoomtheorie van Demokritos van Abdera (460-371 vóór Chr.). Diens wereldbeeld is materialistisch: alle stoffelijkheden zijn terug te voeren op niet verder deelbare oerlichamen (atoma) die de onveranderlijke elementen der dingen zijn. Waarneming geschiedt door uitwisseling van atomen.
In afwijking van Demokritos leert Epikouros dat (a) de atomen een loodrechte, vrije val maken, (b) zij in zich de mogelijkheid hebben tot een willekeurige, allerkleinste afwijking (παρένκλισις, inclinatio). Hiermee tracht hij het strenge determinisme van Demokritos te omzeilen en de menselijke, vrije wil te verklaren. Zo kan in een heelal waar in de absolute leegte de atomen zich in constante beweging bevinden, naast noodzaak (ἀνάγκη) ook toeval (τύχη) bestaan.
Deze puur natuurlijke beschouwing van het heelal dient een tweeledig doel: de mensen hoeven voortaan angst noch voor de dood noch voor de goden te hebben. Iedere vorm van lotsbeschikking of goddelijke leiding wordt afgewezen. Toch wordt aan het bestaan van de goden, die zich afzijdig van het gebeuren op aarde houden, niet getwijfeld, omdat over hen gedacht, ja zelfs gedroomd kan worden!
Epikouros' ethika heet hedonistisch te zijn. Elk wezen heeft het natuurlijke streven middels een gelukzalig leven (μακαρίως ζῆν) te komen tot het absolute genot (ἡδόνη). Niet het incidentele genot (zoals het stillen van de honger of sexuele bevrediging) wordt hiermee bedoeld, maar het blijvende genot, dat slechts in onwankelbare gemoedsrust (ἀταραξία) kan worden gevonden. Het behoeft geen betoog dat geestelijk genot de voorkeur verdient boven vleselijke genietingen.
Het ideaal van de wijze is dan ook de beheersing van zijn begeerten, het niet afhankelijk zijn van uiterlijkheden. De Epikurist benijdt in een leven op water en brood zelfs Zeus niet. Iedere vorm van opwinding, zowel privé als in het openbaar, moet worden vermeden. Het leven speelt zich in verborgenheid af: de ware Epikurist geniet van zijn geluk in een 'stil hoekje'. Het individu dient niet het algemeen belang: de staat is er slechts om hem tegen onrecht te beschermen en ervoor te zorgen dat hij het hedonistisch ideaal kan verwerkelijken.